'Niemand weet nog wie echt over Sjors en Sjimmie gaat'

Na 50 jaar vindt Robert van der Kroft het genoeg geweest en legt hij het tekenpotlood neer. Hij stopt dus met Sjors en Sjimmie, en stort zich volledig op de muziek. Maar wat betekent dat voor de toekomst van Sjors en Sjimmie? Zou iemand anders de strip over kunnen nemen? En wie bepaalt dat dan? Robert van der Kroft weet het zelf ook niet precies.

De rechten van Sjors en Sjimmie zijn een ingewikkelde spaghetti. De figuurtjes zijn namelijk ooit bedacht door Frans Piët, en na verschillende tekenaars en bijbehorende gedaantewisselingen bij de Wiroja's terecht gekomen. Dat is het pseudoniem voor het trio Wilbert Plijnaar, Robert van der Kroft en Jan van Die. En hier wordt het ingewikkeld. 'De rechten van de naam liggen bij DPG, de uitgeverij. Maar zoals de figuren er nu uit zien liggen ze bij ons', vertelt Robert van der Kroft. Dus wie bepaalt dan hoe het verder gaat?
Luister ook: Robert van der Kroft tekent al 40 jaar Droppie Water
In deze podcast proberen we daar een beetje opheldering over te geven, maar ook voor Van der Kroft zelf is het een moeilijke zaak. Er zijn wel plannen voor een jubileumalbum volgend jaar, maar wat er daarna met Sjors en Sjimmie gaat gebeuren is ongewis. 'Het is gewoon een moeilijk geval.'
De lijn van Robert van der Kroft
Maar Robert van der Kroft zit niet stil. Hij staat nu in het theater met een heus theatercollege over strips. Met een klassieke overhead projector staat hij op het podium om te vertellen over de geschiedenis van het medium strip. 'Het is echt een rommeltje als ik bezig ben met al die sheets, maar dat maakt het dan ook weer heel gezellig. Het is echt een goed verhaal over het beeldverhaal in de wereldgeschiedenis.' Het tweede deel gaat over zijn eigen stripgeschiedenis, dus dan komen ook Sjors en Sjimmie weer langs.

En daarnaast is zijn grote passie muziek. Nu Van der Kroft minder gaat tekenen, wil hij meer tijd gaan steken in zijn band Dit. En de ambities zijn groot, want de band wil echt een hit scoren. 'Het liefst wil ik ooit een keer in Budokan spelen, het Japanse stadion waar alle groten der aarde gespeeld hebben.'
Word Vriend van de Show
Wil je nog meer horen over de muziek van Robert van der Kroft én de podcast Stripjournaal ondersteunen? Voor maar 3 euro per maand kun je Vriend van de Show worden, en dan krijg je ook toegang tot de exclusieve vriendenpodcast. Dus meld je aan als Vriend van de Show!










Frans Piët heeft Sjors overgenomen van een Amerikaanse strip; met name zijn vroegste versie was zelfs gewoon overgetrokken van het Amerikaanse voorbeeld (via een Frans plagiaat!), wat Piët ook ruiterlijk heeft toegegeven. (De geplagieerde Amerikaan had de figuur op zijn beurt geplagieerd; een ander verhaal.)
Dat DPG de rechten zou hebben, valt dus te betwisten: alleen de figuur van Jimmie / Sjimmie en de notie dat hij de kameraad en in all opzichten de evenknie van Sjors is, kunnen als het auteursrecht van Piët kunnen worden beschouwd, en dat recht is uiteraard overgedragen op diverse uitgevers en berust thans bij DPG.
Het is interessant dat vdK rechten heeft op "zijn" versie van de figuurtjes: met name Sjors bij hem lijkt veel meer op de oorspronkelijke Perry Winkle dan bijvoorbeeld de beste versie, de Sjors van Jan Steeman.
Lezen we de details bij Joost de Waal, Sociologie, 4 [2008]:
De strip dook eind 1927 op in een blaadje van uitgeverij De Spaarnestad. De oorsprong van Sjors ligt in de Amerikaanse strip Winnie Winkle, the breadwinner. Deze serie, met in de hoofdrol een werkende jonge vrouw, verscheen vanaf september 1920 dagelijks in de Amerikaanse kranten. De veranderende positie van de vrouw in de Amerikaanse maatschappij bleek een dankbaar onderwerp en Martin Branners getekende soap-serie kende al vlug een grote populariteit.
Die nam nog verder toe nadat Winnie er in februari 1922 een klein ondeugend broertje bij kreeg: Perry Winkle (een woordspeling: periwinkle is onder meer een soort zeeslak). Zijn succes oversteeg al vlug dat van zijn grote zus. Ook in Europa bleven zijn streken in de veelgelezen stripbijlages van de Amerikaanse zondagskranten niet onopgemerkt. Al in 1923, nauwelijks een jaar na zijn eerste optreden, beleefde Perry zijn Europese debuut. Hij verscheen als Bicot, president du club des Ran-tan-plans in het Franse geïllustreerde blad Excelsior Dimanche, vanaf 1924 Dimanche-Illustré geheten (Leguebe 1972: 5).
Dimanche-Illustré werd ook buiten Frankrijk verkocht. Uitgeverij De Spaarnestad, een grote, katholieke uitgeverij die naast haar streven de eigen zuil te voorzien van verantwoorde lectuur ook ambities had op de markt voor ‘neutrale’ tijdschriften, had een jaarabonnement. Zo kwam het Franse weekblad op de redactieburelen van het tijdschrift De Humorist van de Week ook toevallig onder ogen van redacteur Lou Vierhout (1902-1958). Hij merkte Bicot op, die hem wel wat leek voor De Humorist. En dus pakte Vierhout de schaar en begon te knippen.
De Humorist was een gratis wekelijks supplement bij de ‘neutrale’, regionale bladen van De Spaarnestad, zoals bijvoorbeeld De Stad Amsterdam, ’s-Gravenhage in Beeld, en later ook Panorama. Het dunne blaadje stond vol lichte kost voor het hele gezin: verhaaltjes, illustraties, ‘mopjes’, raadsels, en – niet te vergeten – ook wat cartoons en korte beeldverhalen. Een groot deel van dit materiaal was afkomstig uit buitenlandse tijdschriften. Het was bij De Spaarnestad, en ook bij andere Nederlandse uitgevers, eerder regel dan uitzondering dat iets gekopieerd werd zonder zich te bekommeren om auteursrechten. Wanneer een illustrator even geen inspiratie had, kon hij ‘gewoon [iets] overtekenen’ uit een buitenlandse krant of tijdschrift. ‘Dat was makkelijk in die tijd’ (zei Piët in 1985).
En zo werd het ook geen probleem gevonden om voortaan Bicot uit Dimanche-Illustré over te gaan trekken. Vanaf 30 december 1927 verscheen de strip wekelijks op de achterkant van De Humorist. De plaatjes waren overgetekend, de dialoog vertaald en Bicot omgedoopt in Sjors van de Rebellenclub.
Net als Perry en Bicot werd Sjors een succes. De strip – eind jaren twintig voor zover bekend de enige moderne, Amerikaanse ballonstrip in Nederland – onderscheidde zich op meerdere vlakken van de beeldverhalen die men hier kende: met de tekstballon, de expressieve emoties, de snelheidslijntjes, de vlotte tekeningen en de soepele lijnvoering (voor zover die niet verloren ging bij het slordige overtrekken). Maar ook inhoudelijk: Sjors was brutaler, minder kinderlijk dan het gros van de Nederlandse ‘plaatjes-series’. De strip had meer verwantschap met de semirealistische schelmenverhalen van Pietje Bell en Dik Trom dan met de avontuurtjes van Nederlandse beeldverhaalhelden als muisje Snuffelgraag of poppetje Tripje. Deze aspecten van de Amerikaanse strip maakten Sjors tot een aantrekkelijke, opvallende verschijning. Dat de geliefde strip Amerikaans was, realiseerden de lezers zich echter niet (al had een enkeling wel het vermoeden dat dergelijke strips van de hand van een ‘buitenlandsche teekenaar’ en juist daardoor ‘veel beter’ waren. Ook de Haarlemse uitgever, die de strip overnam uit een Frans blad, was zich naar alle waarschijnlijkheid niet bewust van de oorspronkelijke herkomst.
Heerlijk interview. En Robert is zoals altijd heel openhartig en hij heeft een fijne stem om naar te luisteren. Ik was aanwezig bij het eerste theatercollege en dat was gewoon leuk. De waardering vanuit de zaal was enorm. En daarna was Robert ook bereid om te signeren, kortom...in april gewoon nog een keer.